Je herkent het vast. Je moet een taak doen en het lukt maar niet om te beginnen. Je stelt het maar uit en uit: je hebt nog allerlei andere dingen te doen, je bent in je hoofd met andere zaken bezig, je blijft te lang bezig met allerlei voorbereidingen. Pas als de druk hoog wordt (“het móet nu af”) ga je aan de gang. Iedereen heeft hier in meerdere of mindere mate last van. 

Er zijn allerlei redenen waarom het moeilijk kan zijn om met een taak te beginnen. Het kan zijn dat je helemaal geen zin hebt en leukere dingen wilt doen. Het is mogelijk dat er te veel zaken zijn die ook om je aandacht vragen en je dus afleiden. Wellicht heb je de taak nog niet eerder gedaan en weet je niet hoe je deze tot een goed einde kunt brengen. Misschien weet je niet precies wat er van je verwacht wordt, welke eisen er aan je gesteld worden. Je kunt onzeker zijn of het je wel zal lukken. 

Als je wat wilt doen aan deze opstartproblemen, voor jezelf, voor je kind, voor een leerling, dan zijn daar wel wat tips voor te geven. Eigenlijk draait het daarbij allemaal om het verhogen van de motivatie en het verminderen van (faal)angst. Iemand die problemen heeft met opstarten (met taakinitiatie) voelt onvoldoende noodzaak om te beginnen of weet niet goed hoe hij of zij de taak goed kan uitvoeren. Daarbij kun je helpen. 

Allereerst is het wenselijk dat iemand exact weet wat de bedoeling van de taak is: wanneer is de taak goed volbracht of gelukt, hoe ziet het eindproduct er uit? Wanneer heb je genoeg geleerd om je gewenste cijfer te halen? Wanneer is de ander (en ben jezelf) tevreden? Hoewel dit vaak niet eenvoudig is om te bepalen, kan het verhelderen van de eisen die aan de taak worden gesteld wel tot vermindering van spanning leiden. Vervolgens moet je goed weten hoe je zo ver kunt komen: welke stappen moet je zetten om het doel te bereiken? Het kan nodig zijn om het hele proces van begin tot eind voor te doen, te begeleiden en te oefenen. De persoon moet vertrouwen kunnen krijgen in zijn/haar handelen; dat vermindert de faalangst. 

Hulpmiddelen kunnen nuttig zijn: een stappenplan dat gevolgd kan worden, een timer die informeert hoeveel tijd je nog hebt, een koptelefoon om minder afgeleid te worden. Maar denk ook aan het verwijderen van andere bronnen van afleiding: de mobiele telefoon uit, niet werken in de woonkamer met de televisie aan maar in een rustige ruimte. Bekijk goed wat er afleidt, maar let op: ‘te saai’ kan ook averechts werken. Sommige kinderen, tieners en volwassenen hebben juist een wat levendige omgeving nodig om tot werken te komen. Muziek kan dan bijvoorbeeld heel fijn zijn en iedereen heeft daarbij zijn eigen voorkeuren.

Als laatste de gouden tip: belonen! Als duidelijk is wat er van iemand verwacht wordt en hij/zij kan dit zonder veel spanning uitvoeren, dan is het verhogen van de motivatie de stimulans om in beweging te komen. Zolang die beloning maar relevant is voor de persoon, kan dit van alles zijn: hem/haar prijzen voor de kwaliteit of de inzet, na de afronding van de taak iets leuks doen, een sticker krijgen, met behulp van een puntensysteem sparen voor een …, etc. Kinderen, tieners en volwassenen met leer- of aandachtsproblemen hebben meer beloning nodig om op te starten met taken die hun weinig uitdagen. Juist bij hun is dus met een beloningssysteem veel winst te boeken!

 

Meer lezen? Zie Hoofdstuk 15 over zelfregulatie, in mijn Handboek Dyslexie.

Braams, T. (2019). Handboek dyslexie. Amsterdam: Boom.