Veel docenten en ouders zitten met hun handen in het haar als ze een kind met forse rekenproblemen moeten begeleiden.  Er wordt van alles geprobeerd, maar de resultaten vallen vaak erg tegen. Dat is vooral sneu voor het ‘rekenzwakke’ kind: dat krijgt nogmaals bevestigd dat hij of zij het niet kan. De goede bedoelingen hebben dan een averechts effect. Toch zijn kinderen met rekenproblemen vrijwel altijd goed te helpen.  Als je maar de goede dingen doet…

Wat werkt in het onderwijs? Wat werkt bij kinderen met leerproblemen? Dat mag eigenlijk wel bekend worden verondersteld. Ik schreef er al eerder een blog over, en een heel hoofdstuk (H.5) in mijn Handboek Dyslexie. Directe instructie (expliciet uitleggen en demonstreren hoe iets gaat), formatieve feedback (een kind informatie geven over zijn prestatie of begrip met als doel zijn gedrag of denken te beïnvloeden), positieve verwachtingen (zelf vertrouwen hebben in de groeimogelijkheden van het kind en het kind helpen om zelf ook te gaan geloven in zijn eigen ontwikkeling), een goede leerkracht-leerling- of ouder-kindrelatie. En: oefenen, oefenen, oefenen… Dat zijn basale kenmerken van goed onderwijs, dus ook van goed rekenonderwijs.

Marije van Oostendorp schreef twee boeken over de behandeling van rekenproblemen: Aan de slag met rekenproblemen (hierna: deel 1) gaat vooral over de basis; de rekenstof tot en met groep 5. Aan de slag met rekenproblemen 2 (hierna: deel 2) is gericht op groep 6 t/m het mbo.

Beide boeken beginnen met de basisprincipes van goed rekenonderwijs. (1) Je werkt van concreet naar abstract en laat altijd met concreet materiaal zien wat begrippen en bewerkingen betekenen. Dit geeft meteen ook aan waarom rekenen nuttig is: je kunt er concrete problemen mee oplossen. (2) Je bouwt de rekenkennis stapje voor stapje op zoals verdiepingen van een flatgebouw.  De onderliggende verdiepingen moeten stevig staan om verder te bouwen. Het getalbegrip en begrip van de bewerkingen moet goed zijn om met complexere sommen verder te gaan. (3) Je moet routine krijgen met de basale vorm van de som, dus moet je eerst de kale sommen goed oefenen voordat je met contextsommen (verhaaltjessommen) begint. (4) Je gebruikt één oplossingsstrategie die altijd werkt (slimme maniertjes zijn niet zo slim als je er de mist mee in gaat). (5) Het is handig als basale rekenkennis geautomatiseerd is (de sommen tot twintig, de tafels tot tien), maar als dat (nog) niet het geval is, gebruik je een tafelkaart of een ander hulpmiddel. (6) Moeilijkere sommen reken je op papier uit: dat ontlast het werkgeheugen en geeft structuur aan de taak.

Vervolgens geeft Marije van Oostendorp in beide boeken gedetailleerde adviezen hoe je kinderen rekenvaardigheden kunt aanleren en welke hulpmiddelen je daarbij kunt gebruiken. Deel 1 begint met het tellen, het lezen, schrijven en maken van getallen, en (erg belangrijk!) het oefenen van rekentaal. Vervolgens komen de plus- en minsommen en de keer- en deelsommen aan de orde. Deel 2 herhaalt deze fases in verkorte vorm en gaat dan verder met kommagetallen, maten, breuken en procenten. Verder komen andere rekendomeinen (geld, kalender, klok) en verhoudingstabellen aan de orde. Beide boeken geven nog aanvullende informatie: over eigen leerlijnen en thuis oefenen in deel 1 en over het uitvoeren van een rekenonderzoek en over rekenangst in deel 2.

Erg nuttig zijn de bijlagen en alle verwijzingen naar concrete rekenmaterialen en -spelletjes. Bij deel 2 hoort ook een website waar de koper extra formulieren, bladen, materiaal  en spelletjes kan downloaden.

Deze boeken zijn een must voor elke intern begeleider, leerkracht en remedial teacher die vooruitgang wil boeken met kinderen met rekenproblemen. Rekenproblemen zijn geen gegeven, dus laat die fixed mindset over de geringe ontwikkelingsmogelijkheden van ‘rekenzwakke’ kinderen los!